in de Oude Kerk
Sopraan Andrea Tjäder
Alt Jan Kullmann
Tenor Joost van der Linden
Bas Peter Scheele
Dirigent Mark Tempelaars
Orgel …
Schwingt freudig euch empor, BWV 36, is een cantate die Bach later in zijn Leipzigse jaren samenstelde uit eerder materiaal, maar die desondanks een opvallende eenheid en charme bezit. De cantate is geschreven voor de eerste zondag van Advent, een periode van verwachting en vreugdevolle voorbereiding. Die sfeer klinkt vanaf de eerste maten: de muziek nodigt uit om het hart op te heffen, precies zoals de tekst het verwoordt.
De opening is feestelijk maar verfijnd. De strijkers en hobo’s creëren een lichte, dansende beweging waarboven het koor de oproep tot vreugde uitzingt. Het is geen uitbundige jubel, maar een elegante, bijna sierlijke verheffing — Advent in zijn meest verwachtingsvolle gedaante.
In de aria’s laat Bach de verschillende stemmen elk een eigen facet van die vreugde belichten. De sopraan zingt met een tedere lichtheid, begeleid door een warme hobo d’amore, waardoor de muziek een intieme glans krijgt. De tenoraria heeft een meer beweeglijke energie, alsof de vreugde zich niet langer laat inhouden. De bas brengt vervolgens een rustiger, maar diep geworteld vertrouwen naar voren, gedragen door een stevige continuo-lijn.
Tussen de aria’s door klinken koraalstrofen die de cantate verankeren in de lutherse traditie. Bach behandelt ze met grote eenvoud: vierstemmig, helder en zonder opsmuk. Ze vormen momenten van bezinning binnen de meer virtuoze omlijsting van de overige delen.
De cantate eindigt met een koraal dat de luisteraar terugbrengt naar de kern van Advent: een vreugde die niet luid hoeft te zijn, maar die groeit uit verwachting, hoop en innerlijke rust. Het is een slot dat de cantate afrondt met een zachte maar overtuigende helderheid.
