in de Oude Kerk
Sopraan Andrea Tjäder
Alt Jan Kullmann
Tenor Joost van der Linden
Bas Peter Scheele
Dirigent Mark Tempelaars
Orgel Christo Lelie
Christ unser Herr zum Jordan kam, BWV 7, behoort tot de koraalcantates die Bach in 1724 componeerde voor zijn tweede Leipzigse jaargang. De cantate is geschreven voor het feest van de geboorte van Johannes de Doper, en sluit nauw aan bij het thema van de evangelielezing: de doop van Christus in de Jordaan. Luther’s koraal vormt het theologische fundament. Het is een lied dat niet alleen het verhaal van de doop vertelt, maar ook de betekenis ervan voor de gelovige duidt: de doop als bron van vernieuwing, strijd en bevrijding.
Bach opent de cantate met een indrukwekkend koor waarin het koraal als cantus firmus klinkt. De instrumentale lijnen bewegen zich eromheen in een helder, bijna stromend weefsel dat de beweging van het water lijkt te verklanken. De muziek heeft een plechtige, maar ook energieke uitstraling, alsof de luisteraar zelf aan de oever van de Jordaan staat.
In de daaropvolgende aria’s en recitatieven wordt de betekenis van de doop verder uitgewerkt. De basaria benadrukt de strijd tegen het kwaad, waarbij de solist wordt omringd door de warme klank van de oboe d’amore. De tenoraria heeft een meer verhalend karakter en schildert de doop als een daad van gehoorzaamheid en overgave. Bach gebruikt hier een concertante viool die de zanglijn omspelt met sierlijke bewegingen, alsof het water zelf tot leven komt.
De altaria vormt een intiem moment binnen de cantate. De muziek ademt rust en vertrouwen, en laat horen hoe de doop niet alleen een ritueel is, maar een persoonlijke bron van troost en zekerheid. De tekst krijgt hier een bijna meditatieve diepte.
