in de Lutherse Kerk

Sopraan                               Andrea Tjäder

Dirigent                               Mark Tempelaars

Orgel                                   Willemijn Roodbergen

Ich bin vergnügt mit meinem Glücke, BWV 84, is een van Bachs meest intieme en persoonlijke cantates. Geschreven voor de zondag Septuagesima in 1727, staat de tekst stil bij tevredenheid: niet de grote gebaren of uiterlijke voorspoed, maar de innerlijke rust die ontstaat wanneer men het eigen lot aanvaardt. Het is een thema dat Bach met opvallende eenvoud en warmte verklankt.

De cantate opent met een aria voor sopraan waarin een bijna huiselijke tevredenheid doorklinkt. De hobo en strijkers weven een licht en vriendelijk klankbeeld, terwijl de soliste zingt over het geluk dat niet in rijkdom schuilt, maar in berusting. Het is muziek die niet probeert te imponeren, maar juist door haar bescheidenheid raakt.

In de recitatieven wordt de gedachte verder uitgewerkt: de mens die zijn grenzen kent, die niet jaagt naar meer, maar dankbaar is voor wat hem gegeven is. Bach houdt de toon hier helder en direct, alsof hij de luisteraar uitnodigt om even stil te staan bij deze eenvoudige, maar wezenlijke houding.

De tweede aria heeft een meer dansend karakter. De muziek krijgt een lichte sprankeling, alsof tevredenheid niet alleen rust brengt, maar ook vreugde. De sopraan beweegt zich soepel door de melodie, ondersteund door een levendige continuo-lijn die de tekst een optimistische glans geeft.

Aan het einde staat een vierstemmig koraal dat de cantate afrondt met een gevoel van helderheid en eenvoud. Geen grootse afsluiting, maar een rustige bevestiging van het centrale thema: tevredenheid als een stille, maar krachtige vorm van rijkdom.