in de Oude Kerk
Sopraan Andrea Tjäder
Alt Jan Kullmann
Bas Peter Scheele
Dirigent Mark Tempelaars
Orgel Bas de Vroome
Gelobet sei der Herr, mein Gott, BWV 129, is een feestelijke koraalcantate die Bach in 1726 componeerde voor het hoogfeest van de Heilige Drie-eenheid. Waar veel van zijn cantates de innerlijke strijd of kwetsbaarheid van de mens centraal stellen, klinkt hier juist een uitbundige lofzang. Luther’s koraal vormt de basis: vijf strofen die elk een andere persoon of dimensie van de Drie-eenheid bezingen. Bach grijpt deze structuur aan om een rijk palet aan klankkleuren en muzikale sferen te schilderen.
De cantate opent met een groots koor waarin het koraal majestueus door de stemmen klinkt, gedragen door een stralende instrumentale begeleiding. Trompetten en pauken geven het geheel een bijna koninklijke glans. Het is muziek die niet alleen lof verkondigt, maar die lof ook voelbaar maakt — een klankwereld die de luisteraar optilt.
In de daaropvolgende aria’s laat Bach horen hoe veelzijdig lofprijzing kan zijn. De sopraanaria heeft een lichte, bijna dansende beweging, waarin de dankbaarheid een intieme en persoonlijke vorm krijgt. De basaria daarentegen is krachtig en breed, met een prominente rol voor de trompet die de majesteit van God de Vader onderstreept. De tenoraria vormt een lyrisch middelpunt: een meer ingetogen moment waarin de melodie zich soepel ontvouwt, alsof de lofzang even naar binnen keert.
De recitatieven verbinden de delen met korte, heldere reflecties die de theologische betekenis van het koraal verder uitlichten. Bach houdt ze eenvoudig, zodat de aria’s en het koorwerk des te sterker schitteren.
De cantate sluit af met een vierstemmig koraal dat de luisteraar terugbrengt naar de eenvoud van het oorspronkelijke lied. Na de rijkdom en glans van de voorafgaande delen klinkt hier een rustige, maar overtuigende bevestiging van de lof die de hele cantate draagt. Het is een slot dat de feestelijkheid niet overdrijft, maar juist afrondt met helderheid en rust.
