in de Oude Kerk

Sopraan                               Andrea Tjäder

Alt                                        Maria Koshiishi

Tenor                                   Joost van der Linden

Bas                                       Peter Scheele

Dirigent                               Mark Tempelaars

Orgel                                   gertine???

Wo soll ich fliehen hin, BWV 5, behoort tot de meest indringende koraalcantates uit Bachs tweede Leipzigse jaargang. De cantate vertrekt vanuit de gelijknamige hymne van Johann Heermann, waarin de mens geconfronteerd wordt met zijn eigen tekortschieten en wanhopig zoekt naar een plaats van veiligheid. Bach maakt van dit theologische thema een muzikaal drama waarin onrust, strijd en uiteindelijk berusting elkaar afwisselen.

De opening zet meteen de toon: het koor zingt het koraal stevig en helder, terwijl de instrumentale lijnen eromheen voortdurend in beweging zijn. Die onrustige figuren in strijkers en hobo’s geven de indruk van iemand die werkelijk op de vlucht is. Het is muziek die de luisteraar direct het innerlijke landschap van de tekst binnen trekt.

In de aria’s verdiept Bach de persoonlijke dimensie van de cantate. De tenor wordt omgeven door virtuoze vioolfiguren die de “ketenen van de zonde” bijna tastbaar maken. Later klinkt de basaria als een krachtig tegenbeeld: Christus verschijnt als bevrijder, ondersteund door de donkere kleur van de hobo da caccia. De muziek krijgt hier een bijna strijdlustige energie, alsof de overwinning al voelbaar is.

Halverwege keert de rust terug in een recitatief en koraalvers die de kern van de boodschap raken: de mens vindt geen uitweg in zichzelf, maar in genade. Deze verstilling vormt een mooi contrast met de dramatische beweging ervoor.

De cantate besluit met een eenvoudig, helder vierstemmig koraal. Na alle muzikale onrust klinkt hier de rust van het vertrouwen — een moment van collectieve verlichting dat de cantate afrondt met een gevoel van helderheid en zekerheid.